Dosisreductie van 40mg naar 32mg SSRI: Risico op Onttrekkingsverschijnselen
Een dosisreductie van 40mg naar 32mg SSRI zal waarschijnlijk geen klinisch significante onttrekkingsverschijnselen veroorzaken, aangezien dit een relatief kleine (20%) geleidelijke aanpassing is binnen het therapeutische bereik, waarbij de serotonerge bezetting grotendeels behouden blijft.
Wetenschappelijke Onderbouwing
Onttrekkingssyndroom: Wanneer Ontstaat Het?
De kans op onttrekkingsverschijnselen hangt primair af van:
Snelheid van dosisreductie: Abrupte stopzetting of snelle dosisreductie verhoogt het risico aanzienlijk 1, 2. Een geleidelijke afbouw van 20% (van 40mg naar 32mg) valt binnen de veilige marge.
Halfwaardetijd van het medicijn: SSRI's met kortere halfwaardetijden (paroxetine, fluvoxamine, venlafaxine) hebben een hoger risico op onttrekkingsverschijnselen dan die met langere halfwaardetijden 3, 1. De specifieke SSRI is hier cruciaal.
Behandelduur: Langere behandelduur (>24 weken) verhoogt het risico op onttrekkingsverschijnselen (51.4%) vergeleken met kortere duur (6-12 weken: 35.1%) 2. Dit is echter vooral relevant bij volledige stopzetting.
Waarom 40mg naar 32mg Veilig Is
De "emmer-analogie" heeft gedeeltelijk gelijk: Bij SSRI-dosering bestaat er inderdaad een plafondeffect waarbij hogere doses niet proportioneel meer serotonerge bezetting geven 2. Een reductie van 20% binnen het therapeutische bereik (meestal 20-40mg voor de meeste SSRI's) behoudt voldoende receptorbezetting om therapeutisch effect te behouden.
Geleidelijke tapering voorkomt onttrekking: Richtlijnen benadrukken dat geleidelijke dosisreductie onttrekkingsverschijnselen minimaliseert 3, 1. Een stapsgewijze reductie van 20% is conservatief en veilig, vooral vergeleken met de aanbevolen 10-14 dagen taperingperiode voor volledige stopzetting 3.
Klinische Overwegingen
Timing van symptomen: Als onttrekkingsverschijnselen optreden, verschijnen deze typisch binnen 1-4 dagen na dosiswijziging bij kortere halfwaardetijd SSRI's 1, 4. Bij een geleidelijke reductie van 20% is dit risico minimaal.
Symptoompatroon: Echte onttrekkingsverschijnselen omvatten duizeligheid, misselijkheid, vermoeidheid, sensorische stoornissen, angst en agitatie 1, 5. Deze zijn te onderscheiden van bijwerkingsreductie (wat de patiënt waarschijnlijk zal ervaren als verbetering).
Risicofactoren voor onttrekking: Vrouwelijk geslacht, jongere leeftijd, hogere doses, langere behandelduur en abrupte stopzetting verhogen het risico 2. Een geleidelijke reductie van 20% bij een stabiele patiënt valt buiten deze hoge-risico categorie.
Praktische Aanbeveling
Monitor de patiënt gedurende 1-2 weken na dosisreductie op mogelijke onttrekkingsverschijnselen, hoewel deze bij een 20% reductie zeer onwaarschijnlijk zijn 1, 2.
Onderscheid tussen:
- Bijwerkingsreductie (positief): Verminderde sedatie, seksuele disfunctie, of andere SSRI-gerelateerde bijwerkingen
- Onttrekkingsverschijnselen (negatief): Nieuwe symptomen zoals duizeligheid, griepachtige klachten, sensorische stoornissen 1
Als onttrekkingsverschijnselen optreden (zeer onwaarschijnlijk bij deze reductie): Herstel de vorige dosis en vertraag de taperingsnelheid verder 3, 1. Overweeg tijdelijk lorazepam 0.5-1mg tot 3x daags voor ernstige angst, met maximum 2mg/24u bij oudere of fragiele patiënten 6.
Veelvoorkomende Valkuil
Verwar geen terugkeer van onderliggende symptomen met onttrekking: Als angst of depressie terugkeert na dosisreductie, kan dit wijzen op onvoldoende behandeling van de onderliggende aandoening, niet noodzakelijk op onttrekking 1. Echte onttrekkingsverschijnselen zijn typisch nieuw en verschillend van de oorspronkelijke symptomen.