Normale Ciclosporinespiegel
De therapeutische dalspiegel (trough concentratie) van ciclosporine varieert afhankelijk van de indicatie: 150-250 ng/mL voor acute ernstige colitis ulcerosa, 150-450 ng/mL voor transplantatiepatiënten, en 60-150 ng/mL voor nefrotisch syndroom bij kinderen. 1
Indicatie-Specifieke Streefwaarden
Acute Ernstige Colitis Ulcerosa
- Orale ciclosporine dalspiegel: 150-250 ng/mL 1
- Deze streefwaarde geldt na conversie van intraveneuze naar orale therapie (4 mg/kg/dag oraal) 1
- Behandeling wordt voortgezet gedurende ongeveer 3 maanden 1
Transplantatiepatiënten
- Dalspiegel: 150-450 ng/mL 1
- Deze bredere range weerspiegelt de hogere immunosuppressieve behoeften bij transplantatie 1
- Hogere dalspiegels zijn geassocieerd met 10% lagere afstotingspercentages, maar ook met verhoogd risico op nefrotoxiciteit 1
Nefrotisch Syndroom (Pediatrie)
- Dalspiegel (12-uurs): 60-150 ng/mL 1
- Streef naar de laagste spiegels die remissie handhaven om toxiciteit te vermijden 1
- Bij volwassenen met nefrotisch syndroom worden vergelijkbare streefwaarden aangehouden 1
Athymie met Omenn-Syndroom
- Dalspiegel: 150-200 mg/L (equivalent aan 150-200 ng/mL) 1
- Deze hogere spiegels zijn nodig voor controle van inflammatie bij deze zeldzame aandoening 1
Alternatieve Monitoringsmethode: C2-Spiegels
C2-monitoring (concentratie 2 uur na dosering) correleert beter met klinische uitkomsten dan dalspiegels alleen. 2
- C2 streefwaarde voor transplantatie: 600-1500 ng/mL 2
- C2-spiegels reflecteren de absorptiefase wanneer de piek immunosuppressieve werking optreedt 2
- Dalspiegels (C0) blijven echter de traditionele standaard voor monitoring 2
Belangrijke Overwegingen bij Spiegelinterpretatie
Dosisaanpassingen
- Start met lagere doses (3-4 mg/kg/dag oraal) bij auto-immuunziekten om nefrotoxiciteit te voorkomen 3
- Verhoog de dosis alleen als serumcreatinine <30% boven baseline blijft 3
- Bij transplantatiepatiënten zijn initiële doses hoger (14-18 mg/kg oraal) 4
Geneesmiddelinteracties
- CYP3A4-remmers (azool-antimycotica, calciumkanaalblokkers zoals diltiazem/verapamil, statines) verhogen ciclosporinespiegels significant 1
- CYP3A4-inductoren (rifampicine, fenytoïne) verlagen ciclosporinespiegels 1
- Verhoog monitoringsfrequentie wanneer interacterende medicatie wordt toegevoegd of gestopt 2
Monitoringsfrequentie
- Transplantatiepatiënten: dagelijks tot stabiele spiegels bereikt zijn, daarna elke 2-3 dagen tot ontslag, vervolgens elke 1-2 weken in de eerste 1-2 maanden, en bij stabiele spiegels elke 1-2 maanden 2
- Auto-immuunziekten: minder frequente monitoring is acceptabel, maar verhoog frequentie bij dosiswijzigingen of nieuwe medicatie 2
Valkuilen en Waarschuwingen
Nefrotoxiciteit
- Ciclosporine veroorzaakt dosisafhankelijke nefrotoxiciteit, zelfs bij patiënten met reeds bestaande nierziekte 5, 3
- Vermijd ciclosporine bij creatinineklaring <60 mL/min tenzij absoluut noodzakelijk 3
- Monitor nierfunctie (GFR) nauwkeurig met als doel ≥70% van de pre-behandelingswaarde te behouden 5
- Verlaag de dosis als serumcreatinine ≥30% boven baseline stijgt 3
Bloeddrukcontrole
- Hypertensie is een frequent bijeffect 5
- Streef naar bloeddruk <120/75 mmHg 5
- Vermijd ciclosporine bij ongecontroleerde hypertensie 3
Laboratoriummonitoring
- Naast ciclosporinespiegels: monitor serumcreatinine, elektrolyten (vooral kalium en magnesium), volledig bloedbeeld elke 4-6 weken, en lipidenprofiel 2
- Hyperkaliëmie en hypertrichose zijn frequente bijwerkingen 5